Zoeken Contact

Vier verkeerde uitgangspunten voor onderzoek naar ongewenst gedrag

Het onderwerp ongewenste omgangsvormen heeft zich in een aantal jaren van een #metoo-tweet ontwikkeld tot een perfect storm waarbij de geest in de afgelopen maanden definitief uit de fles lijkt. De onthullingen en schandalen buitelen over de voorpagina’s. Zomaar een greep: The Voice, Ajax, Volt en Jan Fabre bij onze zuiderburen. Als onderzoeker die de afgelopen 15 jaar talloze onderzoeken naar ongewenst gedrag heeft gedaan, vallen mij een paar zaken op. Wat het meest in het oog springt is dat iedereen een mening over dit onderwerp lijkt te hebben, er deskundig over is en dit ook nog eens in het openbaar wil etaleren. In talkshows, krantenartikelen, opiniestukken en columns worden de schandalen ontleed, de slachtoffers tentoongesteld en de beschuldigden terechtgesteld. Zodra het nieuwe eraf is, trekt de karavaan door en blijft er een smeulend slagveld achter, doordrenkt met het leed van de mensen die betrokken zijn geweest bij het drama. En dat zijn er vaak nogal wat.  

Hoezo transparantie?

In de werksituatie, waar veel voorvallen van ongewenste omgangsvormen zich afspelen, blijkt de impact op de omgeving veel groter dan bijvoorbeeld in geval van fraude. Ook het thuisfront van klagers en beklaagden krijgen een tik van de molen mee. Hier zit het eerste pijnpunt. Bij zowel opdrachtgevers als bij veel media bestaat het waanidee dat transparantie over ongewenst gedrag, het onderzoek daarnaar en de afhandeling ervan het hoogste goed is. Dat is zelden het geval. Waar denkt u aan als u aan Monica Lewinski denkt? Juist.  En daar komt ze nooit meer van af. Voor alle partijen is een veilige omgeving vaak het beste, waarin iedereen zich vrij voelt om zijn of haar verhaal te doen en er misschien ook nog iets als heling mogelijk is.

Melden is goud

Een tweede misvatting is dat de beste en enige weg om het probleem van ongewenste omgangsvormen wordt aangepakt die van gedragsverandering van hele bevolkingsgroepen is. Uiteraard is dat op lange termijn het doel, maar in de tussentijd is het in veel gevallen gewoon nodig om uitwassen aan te pakken. En dat kan alleen als er meldingen worden gedaan. John de Mol kreeg alle vrouwen van zijn bedrijf over zich heen, met in het kielzog de hele natie, toen hij in het programma Tim Hofman zei dat vrouwen het wel moesten melden, omdat hij anders niets kon doen. Dat was een typisch geval van de goede opmerking op het verkeerde moment. In de uitzending waar hij zat paste het eigenlijk alleen maar om empathie te tonen en te zeggen dat hij dit tot op de bodem ging uitzoeken. Zijn opmerking, die ernaar hintte dat ook slachtoffers van ongewenst gedrag eigenaarschap moeten nemen en dit in openheid moeten melden, voelde op dat moment als zout in de wonde, maar is in de kern correct. Er ligt hier wel een belangrijke rol voor werkgevers om de routes van meldingen te faciliteren en een veilige omgeving te bieden waarin het doen van meldingen en het uitvoeren van zorgvuldig onderzoek niet wordt belemmerd door de angst van de potentiële melder om beschadigd te worden.

Hersteld vertrouwen

De derde averechtse reflex die zich vaak aandient is die van juridisering. Er lijkt een beeld te bestaan van een zwart-wit werkelijkheid, waarbij er slachtoffers zijn en daders, en het is klip en klaar wie er in welke categorie hoort. Dit kwam nog wel het meest aan het licht bij de keuze van ITV, de nieuwe eigenaar van The Voice, om een Zuidas-kantoor het onderzoek naar de signalen van ongewenst gedrag, waaronder seksuele intimidatie, te laten onderzoeken. Degene die denkt dat ongewenste omgangsvormen een primair juridisch probleem is, met een digitaal antwoord van schuld en onschuld, wens ik veel succes met de oplossing ervan. Vaak vindt er in het juridische domein alleen verdere polarisering plaats – zie Volt. En – extreme voorbeelden daargelaten – dat is niet de weg. Het gaat over het gedrag van mensen in een bepaalde context, en wisselende onderlinge posities en afhankelijkheden. Met andere woorden: het gaat over ‘complexe interactieve processen’. Er is geen lineaire verklaring van a doet b tegen c en daarom d. Als ik lees dat een man een foto van zijn geslachtsdeel naar een vrouw stuurt, denk ik natuurlijk ook: Wat lijkt me dat vervelend voor die vrouw (als ze er niet van gediend is), en waarom doe je dat nou? Maar ook: wat zou er in de tien appjes staan die daaraan voorafgaan en die erna komen? Niet om de vrouw de schuld te geven, maar wel om een verklaring te vinden die er misschien toe kan leiden dat de één begrijpt dat je daar de ander de stuipen mee op het lijf kunt jagen en dat de ander begrijpt dat de intenties anders kunnen zijn (ontstaan) dan wat je daar in eerste instantie over zou denken. Alleen door er zo naar te kijken, ontstaat de mogelijkheid dat men ervan leert en dat er iets van hersteld vertrouwen kan groeien. Dat geldt voor zowel de melders als de beklaagden. Het is namelijk niet zo dat melders alleen maar geholpen zijn bij het straffen c.q. vertrek van de beklaagde. De kernvragen zijn eerder of zij zich gehoord voelen en of de organisatie de kans gehad heeft lering te trekken uit het voorval.

Opdrachtgeverschap

De laatste observatie gaat over het opdrachtgeverschap. Kennelijk bestaat de indruk bij sommige mensen dat er een snelle oplossing bestaat als zich een signaal van ongewenst gedrag voordoet. Op dat moment zien we vaak een misplaatste perceptie van haast ontstaan. Een situatie die zich vaak gedurende lange tijd ontwikkelt en al jaren voortduurt, moet nu ineens in anderhalve week onderzocht en afgehandeld worden, liefst in breed comité of door een klachtencommissie. Zorgvuldigheid en een rustige, voorspelbare onderzoeksomgeving zijn de kinderen die dan met het badwater worden weggegooid. In de praktijk blijken dergelijke onderzoeken met daarop volgende besluitvorming een doorlooptijd van meerdere maanden te hebben en grote zaken langer.

Hoe dan wel?

Wat zijn dan wel de goede uitgangspunten bij een onderzoek naar ongewenst gedrag? Dat begint bij de organisatie waar het gedrag zich heeft afgespeeld. Bij veruit de meeste onderzoeken naar ongewenst gedrag blijkt er geen sprake te zijn van een duidelijke route om ongewenst gedrag te melden. Als er al een signaal naar het bevoegd gezag doorsijpelde, bleef niemand op zijn eigen mat staan. Organisaties moeten af van het idee van klachtencommissies, die een enorme barrière oproepen om de zaak aanhangig te maken. Van tevoren moet duidelijk zijn wie wat oppakt en wat daarin de verantwoordelijkheden zijn en welke communicatieafspraken er worden gemaakt. Maar vooral wanneer er níet wordt gecommuniceerd. De kwaliteit van een onderzoeksproces heeft er baat bij als er een rustige, vertrouwelijke omgeving bestaat waarin iedereen zijn en haar verhaal kan doen. Dat leidt er ook nog eens toe dat er minder snel gejuridiseerd wordt. Dit opent de weg die in het gros van de gevallen gemist wordt, maar wel mogelijk zou zijn geweest: de weg van toegenomen begrip, hersteld vertrouwen en aanpassing van houding en gedrag in de toekomst.

EBBEN wordt regelmatig gevraagd onderzoek te doen naar signalen van ongewenst gedrag, we werken samen met Nijhof&Westerhoud.

Interessante publicaties voor u geselecteerd

Bekijk alle Publicaties

Forensisch onderzoek

Onderzoeks-gate

Fraude

Samenwerking EBBEN, Van Eijck, GraydonCreditsafe

Fraude

Zorginstellingen in de problemen?

Fraude

Belangenverstrengeling in de zorg

Fraude

Onderzoeken van zorgfraude

Fraude

Zorgfraude aanpakken door ontsluiten, verrijken en delen van data

Op deze website gebruikt Ebbenpartners cookies en vergelijkbare technieken om de website goed te kunnen laten werken en om te analyseren hoe de website wordt gebruikt.